Dit is de vijfde blog in een serie waarin ik het boek “de geestelijke mens” van Watchman Nee zal samenvatten. – volgende keer: De vleselijke of zinnelijke gelovige.
vlees_en_reddingHet vlees en redding
 

Het woord “vlees” (Hebr. basar, Gri. sarx) heeft betrekking op alles van en uit de niet-wedergeboren mens. Rom 7:14, 18 (NBG51), NBV spreekt van “natuur”; wat wordt bedoeld is het hele wezen, Paulus’ eigen “ik”, zijn “zelf”

In het begin was de mens “geest, ziel en lichaam”. De ziel moet kiezen of zij de geest wil gehoorzamen en zo verbonden wil zijn met de wil van God, of dat zij het lichaam wil gehoorzamen en zo verbonden wil zijn met de materiële wereld en haar begeerten. Bij de val van de mens heeft de ziel zich verzet tegen de autoriteit van de geest en werd een slaaf van het lichaam en zijn hartstochten.

De mens werd toen een vleselijk in plaats van een geestelijk mens. In dit proces werd de geest zijn edele positie ontzegd en werd tot gevangene. In deze staat is wat ook maar van de ziel komt, vleselijk.
 
Dat was toen, hoe zit dat nu?
Hoe wordt een mens vlees?
 
“Wat uit het vlees geboren is, is vlees”, Joh. 3:6.
 
Wat is vlees?
Ieder mens wordt geboren uit vlees en is daarom zelf ook vlees. Dat is wat de Heer Jezus hier zegt. Geen uitzonderingen voor slimme, vriendelijke domme of wrede mensen, iedereen! Alles waarmee we worden geboren en alles wat we leren of ontwikkelen, komt uit vlees voort.
 
Hoe wordt een mens vlees?
Niet door geregeld te zondigen en zo slecht te worden, niet door zich over te geven aan losbandigheid en het verlangen van lichaam en verstand te volgen, maar eenvoudigweg: door geboren te worden. Geen ontkomen aan. Niet door gedrag, niet door karakter, maar door geboorte. (Genesis 6:3).
 
Wat is de natuur van het vlees?
Opvoeding, verbetering, beschaving, zedelijkheid noch religie kunnen een mens ervan af brengen om vleselijk te zijn. Jezus zei immers: “is“. daarmee staat de zaak vast.
 
 
De niet-wedergeboren mens
 
De Heer Jezus verklaart dat ieder niet-wedergeboren persoon, die slechts één maal geboren is (namelijk alleen uit een mens) vlees is, en om die reden uit het rijk van het vlees leeft (Rom. 9:8). Hij kan zelfs zo veel zondigen dat hij zich er niet eens van bewust is dat hij zondig is (Col 2:13a). Hij kan zelfs trots zijn en zich beter achten dan anderen (Rom 7:5, 14, 24).
 
Het is voor het vlees onmogelijk om God te behagen (Rom 8:7-8). Maar dat houdt niet in dat het vlees de dingen van God altijd veronachtzaamt. De vleselijke mens doet soms ontzettend zijn best om de wet na te leven. De Bijbel stelt de vleselijke mens dan ook nooit op één lijn met overtreders van de wet. De Schrift stel alleen dat “uit werken der wet geen vlees gerechtvaardigd wordt” (Gal 2:16), maar dat het behoud is in het geloof in de Heer Jezus (Gal 2:16; Rom 8:3). “Zij die in het vlees zijn kunnen Gode niet behagen” (Rom 8:8). En dat bezegelt het lot van de vleselijke mens.
 
De vleselijke mens kan nog zo zijn best doen, voor God heeft het geen betekenis. De niet-wedergeboren mens begrijpt jammer genoeg het Woord van God niet en probeert voortdurend zijn vlees te louteren en te hervormen. Maar God roept ons op om “zelfs het kleed dat bevlekt is door het vlees” te haten (Jud 1:23).
 
God kent de onveranderlijkheid van het vlees. Geen vlees kan Hem behagen. Zijn reddingsplan is anders. Hij zal niet proberen de vleselijke mens te repareren, maar in plaats daarvan geeft Hij hem een nieuw leven! 
 
Het vlees moet sterven. Dat is de redding!
 
 
Gods redding
God heeft gedaan “wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees – God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees” Rom. 8:3.
 
Dit maakt duidelijk wat de staat is van vleselijke mensen die proberen de wet te houden. Zij kunnen er daadwerkelijk een aantal punten van houden, maar door de zwakheid van het vlees lukt dat nooit helemaal. En wie slechts op één punt (van de wet) struikelt, is schuldig geworden aan alle geboden (Jac. 2:10). De wet doet de zonde kennen (Rom 3:20). Hoe harder iemand zijn best doet de wet na te leven, hoe meer hij tot het besef komt hoe zondig hij is en hoezeer onmogelijk het voor hem is om de wet te houden.
 
Doordat onze Heer Jezus bij ons was “in een vlees aan dat der zonde gelijk” (Rom. 8:3) was Hij zo dicht bij ons dat Hij Zichzelf volmaakt met ons kon verbinden. In tegenstelling tot ons was Hij niet in een zondig vlees, maar “in een vlees aan dat der zonde gelijk“. Maar tegelijk was Hij ook God’s Zoon, en zondigde Hij niet. Daarom was Hij gekwalificeerd om ons te redden!
 
Het doel van Zijn vleeswording is een offer voor onze zonden te zijn (Hebr. 10:12). Dat is het werk van het kruis! Hij heeft Zich zo volmaakt verbonden aan de vleselijke mens, dat zij zijn gestraft voor hun zonden in Zijn dood aan het kruis! Hij hoefde niet te lijden, toch lijdt Hij voor iedereen die in het vlees is.
 
Maar hoe staat het dan met de kracht van de zonde, die ieder mens in zich heeft?  “Hij veroordeelt de zonde in het vlees“. De Heer Jezus bracht de zonde ter dood in Zijn vlees. Niet alleen onze zonden zijn veroordeeld, maar zelfs de zonde zelf is veroordeeld. Vandaar dat de zonde geen macht meer heeft over hen die verbonden zijn met de dood van de Heer en die overeenkomstig hiermee de zonde hebben veroordeeld in hun vlees.
 
 
Wedergeboorte
Gods bevrijding van de straf en van de macht van de zonde is volbracht aan het kruis van Zijn Zoon. Deze redding is voorgelegd aan alle mensen, opdat wie dat wil aanvaarden, gered kan worden.
 
Maar als nou ons vlees zo verdorven is, hoe kunnen we dan nadat we in de Heer Jezus zijn gaan geloven, God behagen? Ook dit heeft God voor ons opgelost, Hij heeft ons nieuw leven gegeven. Aan hen die geloven in de Heer Jezus als hun persoonlijke Redder heeft Hij de mogelijkheid gegeven om nieuw leven te ontvangen. Dit noemen we “Wedergeboorte”. Omdat Hij weet dat ons vlees niet kan veranderen uit haar verdorven staat, geeft Hij ons Zijn leven. Het vlees blijft nog net zo verdorven als dat van niet-wedergeboren mensen. Wedergeboorte verandert het vlees niet. De wedergeboorte dient niet om het vlees op te voeden of te veranderen, maar om het te overwinnen! In de wedergeboorte schenkt God ons Zijn leven.
 
In onze oude, vleselijke staat, is onze geest dood en heerst onze ziel over ons wezen. We handelen naar de begeerten van ons lichaam. Er is geen goeds in ons. Opdat wij weer gemeenschap met Hem zouden kunnen hebben, moet God onze geest herstellen. In de wedergeboorte brengt God Zijn leven in onze geest. Onze geest komt daarmee weer tot leven! Op dat beslissende moment komt Gods leven, dat is de Heilige Geest, onze menselijke geest binnen en herstelt deze. Met deze inkwartiering van de Heilige Geest in ons, worden wij overgeplaatst naar de geestelijke wereld.
 
We worden niet wedergeboren door iets speciaals te doen, maar door te geloven in de Heer Jezus als onze Redder. “allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in Zijn naam geloven” (Joh. 1:12).
 
Wedergeboorte is het minimum van het geestelijk leven. Het is de fundering waarop kan worden gebouwd. Van geestelijk leven, van geestelijke groei, kan geen sprake zijn wanneer iemand niet wedergeboren is. Er is dan immers geen leven in zijn geest. Als we proberen hem te onderwijzen zijn we bezig een dode te onderwijzen.
 
Het is daarom van het grootste belang dat iedere gelovige zonder enige twijfel weet dat hij wedergeboren is. Ook moet hij inzien dat deze nieuwe geboorte geen poging is om het vlees op te lappen of te transformeren naar geestelijk leven. Dat kan niet. As iemand niet wedergeboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.
 
Hoe kan een mens weten dat hij wedergeboren is? Hij hoeft zich slechts deze vraag te stellen: heb ik geknield aan de voet van het kruis als hulpeloze zondaar en heb ik de Heer Jezus als mijn persoonlijke Redder ontvangen? Als hij die vraag bevestigend beantwoord, is hij wedergeboren.
 
Conflict tussen oud en nieuw
Voor een wedergeboren mens is het van het grootste belang om te begrijpen wat hij in zijn nieuwe geboorte heeft verkregen, en ook wat nog is overgebleven van zijn natuurlijke gaven. Deze kennis heeft hij nodig op de rest van zijn geestelijke reis. Er moet hem worden uitgelegd wat er besloten ligt in het vlees van de mens, maar ook hoe de Heer Jezus heeft afgerekend met de bestanddelen van het vlees. Met andere woorden: Wat erft een gelovige in de wedergeboorte?
 
Romeinen 7 leert dat de componenten van het vlees voornamelijk “zonde” en “mij” zijn. “de zonde die in mij woont … dat wil zeggen in mijn vlees” (vers 14, 17, 18). Met de zonde wordt hier de kracht van de zonde bedoeld, en met “mij” dat wat wij doorgaans als ons “zelf” aanduiden. Voor een goed begrip van geestelijk leven is het belangrijk om geen verwarring te laten bestaan over deze twee elementen van het vlees.
 
De Heer Jezus heeft aan het kruis afgerekend met de zonde van het vlees en het Woord maakt ook duidelijk dat “onze oude mens (letterlijk: zelf) medegekruisigd is” (Rom. 6:6). De Bijbel leert ons dan ook nergens dat wij gekruisigd moeten worden. De Heer Jezus heeft dit immers al op volmaakte wijze gedaan. Met het oog op de zonde wordt de mens nergens gevraagd om ook maar iets te doen. Het enige dat hij behoeft te doen is als voldongen feit te aanvaarden dat hij “dood is voor de zonde” (Rom. 6:11), waarna hij zal ervaren geheel verlost te zijn van de kracht van de zonde zodat deze “geen heerschappij meer over hem zal voeren” (Rom. 6:14).
 
Nu, hoewel ons nergens in de Bijbel wordt gevraagd om te worden gekruisigd, spoort de Heer Jezus ons in de Bijbel wel aan ons kruis op ons te nemen om ons te verloochenen en Hem te volgen. De verklaring hiervoor is dat de Heer Jezus heel verschillend omgaat met onze zonden en met ons zelf. Om de zonde in haar geheel te overwinnen heeft de gelovige slechts één moment nodig, om het zelf te verloochenen heeft hij een heel leven nodig! Alleen aan het kruis droeg de Heer Jezus onze zonden, maar zijn hele leven lang verloochende Hij Zichzelf. In dat laatste mogen wij Hem volgen, zodat dat ook voor ons waar wordt. In de brief aan de Galaten zegt Paulus ons “wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd” (5:24). Nu zouden we – zonder de leiding van de Heilige Geest – kunnen denken dat ons vlees niet langer meer aanwezig is, omdat het immers gekruisigd is. Aan de andere kant zegt Paulus in deze zelfde brief “wandelt door de Geest en voldoet niet aan het begeren van het vlees. Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees” (5:16,17). Hier staat klip en klaar dat iemand die Christus Jezus toebehoort en de inwonende Heilige Geest al heeft ontvangen, nog steeds het vlees in zich heeft. Dat niet alleen, het vlees wordt bovendien beschreven als zijnde bijzonder krachtig.
 
Wel, dit lijkt wat tegenstrijdig, totdat we ons realiseren dat vers 24 spreekt van de zonde van het vlees, en vers 17 van het zelf van het vlees. De Heer Jezus rekende op het kruis af met de kracht van zonde van het vlees opdat deze niet weer zal heersen, en de Heilige Geest rekent door het kruis dagelijks af met het zelf, zodat we in staat worden gesteld om de Heer Jezus op volmaakte wijze te gehoorzamen. Bevrijding van zonde is een voldongen feit, verloochening van het zelf zal een dagelijkse praktijk worden.
 
Jammer genoeg gebeurt het maar al te vaak dat we aan de mensen onvoldoende duidelijk kunnen maken dat zij deze volledige verlossing van de zonde hebben ontvangen en een volkomen nieuw leven hebben gekregen. Mensen gaan dan een half-verlost leven in; hun zonden zijn vergeven, maar zij missen de kracht om met zondigen te stoppen. Als zij vanaf het begin dat begrip wel zouden hebben, zouden zij minder falen in de strijd met de zonden, en meer succes hebben in de strijd met het zelf. Jammer genoeg vinden we zulke gelovigen niet vaak. De conflicten van de meesten zijn daarom conflicten met zonde. Sommigen weten zelfs niet eens wat het zelf is. Van belang in dit verband is de persoonlijkheid van voor de wedergeboorte.  Velen streefden er wel naar om goed te doen, ook al voordat zij geloofden. Ze ervaren daarin het conflict tussen verstand en begeerte. Wanneer zij horen van Gods totale verlossing, nemen zij de genade voor bevrijding van zonde gretig aan, net zoals ze genade ontvangen voor vergeving van zonde. Anderen hebben roetzwarte gewetens, zondigen verschrikkelijk en hebben nooit het verlangen om goed te doen. Als zij van de volledige verlossing horen, dan grijpen zij de genade van vergeving en negeren (niet verwerpen!) de genade voor bevrijding van zonde. Dezen zullen later veel strijd moeten leveren met de zonde van het vlees.
 
Waarom gaat het met die laatsten zo? Omdat zo’n wedergeboren mens nieuw leven heeft ontvangen dat hem vraagt de heerschappij van het vlees te overwinnen en zich totaal aan dit nieuwe leven over te geven. Wat dit betreft is God absoluut. Zodra het nieuwe leven binnenkomt eist Hij dat de mens de zonde verlaat en zich volkomen onderwerpt aan de Heilige Geest. In deze mens echter is de zonde diep geworteld. Zijn wil is dan wel gedeeltelijk vernieuwd door het wedergeboren leven, deze is nog steeds aan de zonde en aan het zelf gebonden; bij veel gelegenheden zal hij neigen naar de zonde. Een groot conflict tussen het nieuwe leven en het vlees is dan ook onvermijdelijk. Zulke mensen vinden we echt in grote getale en we zullen er speciale aandacht aan besteden. Tevoren een herinnering: deze ervaring met langdurige strijd en falen ten opzichte van de zonde (anders dan die met het zelf) is onnodig!
 
Het vlees wil het gehele wezen van de mens aan zich onderwerpen; de geest wil het gehele wezen van de mens onderworpen laten zijn aan de Heilige Geest. Vlees en geestelijk leven verschillen werkelijk op alle punten:
Vlees – eerste Adam; geest – tweede Adam, de Heer Jezus
Vlees – aards; geest – hemels;
Vlees – wil het wezen van de mens op het zelf richten; geest – wil het wezen in Christus centraliseren;
Vlees – wil de mens tot zonde leiden; geest – verlangt ernaar hem tot gerechtigheid te brengen.
Omdat deze twee zo verschillende zijn, hoe kan een mens dan ooit een constante strijd met het vlees vermijden? Als hij zich niet van de volledige verlossing bewust is , zal een gelovige zo’n worsteling voortdurend ervaren.
 
Zo’n conflict, zo’n constante strijd wordt door jonge gelovigen als zeer verwarrend ervaren. Soms wanhopen ze aan hun geestelijke groei en denken dat ze te slecht zijn; soms beginnen ze aan hun wedergeboorte te twijfelen omdat ze zich er niet van bewust zijn dat de wedergeboorte juist deze strijd teweeg brengt. Voorheen had het vlees namelijk ononderbroken de leiding en konden ze hun gang gaan zonder zich zondig te voelen. De introductie van het nieuwe leven met haar hemels licht maakt volslagen duidelijk dat er binnenin bezoedeling en verdorvenheid is. Het nieuwe leven verlangt er natuurlijk naar om de wil van God te volgen. Het vlees begint te wedijveren met het geestelijk leven. Deze twee krachten in hem wedijveren met elkaar. Als het geestelijk leven stijgt, is de gelovige blij; als het vlees de overhand krijgt, kan hij niet anders dan treurig zijn. Deze ervaringen bewijzen juist dat hij wedergeboren is!
 
Het doel van God is niet om het vlees te hervormen, maar om het te vernietigen. Het door Hem bij de wedergeboorte gegeven nieuwe leven zal er voor zorgen dat het zelf in het vlees zal wordt vernietigd. Hoewel het door God gegeven nieuwe leven zeer krachtig is, is de wedergeborene nog erg zwak, als een pasgeboren baby. Het vlees is erg lang alleen heerser geweest en zeer sterk. En hoewel hij gered is, leeft de wedergeborene in deze periode nog vleselijk. Dit is erg teleurstellend voor hem, want hij wordt inmiddels verlicht door hemels licht, maar hij voelt zich te zwak om de overwinning te behalen. Dat zijn de momenten dat hij vele tranen vergiet. Hij heeft een nieuwe verlangen in zich om de zonde te vernietigen en God te behagen, maar zijn wil is nog niet standvastig genoeg om het lichaam der zonder te onderwerpen. Zijn overwinningen in de periode zijn er weinig, zijn nederlagen vele.
 
Dit is nu precies wat Paulus bedoelt als hij in Romeinen 7 verzucht “Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik. Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is. Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik. Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is“. Velen zullen met hem uitroepen: “Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” (vers 24).
 
Wat is de bedoeling van deze worsteling? Het is een van de manieren waarop de Heilige geest ons wil disciplineren. Door het conflict heen beweegt God de gelovige om de totale overwinning in Christus te zoeken en te grijpen. De Heilige Geest kan door dit conflict heen aan hem die onwetend was openbaren hoe Christus aan het kruis heeft afgerekend met zijn oude mens, opdat hij kan geloven en zijn overwinning in bezit kan nemen. En hij die niet zocht omdat hij dacht dat hij al had zal door deze strijd ontdekken dat al zijn waarheid verstandelijke waarheid was en daardoor vruchteloos. Deze zal de volle waarheid gaan ervaren die voorheen slechts verstandelijk werd begrepen.
 
Dit hele streven neemt toe naarmate de dagen verstrijken. Wanneer gelovigen trouw voortgaan zonder aan wanhoop toe te geven zullen zij hevige conflicten ontmoeten tot de tijd dat zij verlost zijn.
Share Button